Artikelen

Tour d’Ouwehoer

Vanuit mijn hotelkamer tegenover het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) zag ik regelmatig traumahelikopers opstijgen en dalen en werd daardoor als vanzelf gelokt naar een uit de kluiten gewassen tv-scherm. O ja, de Tour, wat is ervan geworden de afgelopen jaren?

Ik hoef de trouwe wielerfans niet uit te leggen wat de rol is van de vliegmobiel in de grootste zomerkomkommer die inmiddels zo vertrouwd is geworden dat je niet eens meer door hebt dat het om een komkommer gaat. Lang geleden uitgevonden om de zomervakanties door te komen voor mensen die geen raad weten met die plotselinge overvloed aan vrije tijd. Even gretig omarmd door sponsors en media. De truc is simpel: je wekt hoge verwachtingen en de kijker/krantenlezer laat zich wel verleiden.

Ieder jaar vaste prik, bijna even traditioneel als de jaarlijkse fotosessie van ZKH, nu met twee honden en drie giechelende meisjes in de hoofdrol. De familie gaat uitrusten van het vele nietsdoen, in Griekenland nog wel. Leuk. Die Kooman, zullen scherpzinnige criticasters wel protesteren, die ziet het zo scherp niet meer met zijn ene oog, want voor dat andere (voor de vierde keer te opereren) oog lag ik immers voor dat vorstelijke tv-scherm met uitzicht op dalende en stijgende traumahelikopters.

Columniste Ionica Smeets, even tegendraads als cijfermatig, had in de Volkskrant actuarieel berekend, hoeveel tijd toeschouwers bij de ouverture in Utrecht hadden om iets met eigen ogen te zien van het spektakelstuk. Niet meer dan vier seconden, schatte zij. ‘Net genoeg om “zet hem op” te roepen en even kort te juichen’. En toch ieder jaar weer het feest van de massa, een gekte, mogelijk ook wel versterkt door het vakantiegevoel. En ieder jaar weer een diarree van woorden, gewijd aan het fietswonder, in de vorm van boeken, krantenspecials, radio- en tv-reportages.

Het zal wel met mijn christelijke opvoeding te maken hebben dat ik vind dat je roem en aandacht moet verdienen. Eerst presteren, dan fêteren. Na alle dopingonthullingen rondom de ex-kankerpatiënt Lance Armstrong had ik de stille hoop dat het wel gedaan zou zijn met de overkill van wielerbeelden. Mart Smeets (voor zover ik weet geen familie van de columniste) deed de deur dicht, zo dacht ik in mijn naïviteit, door zijn bestseller ‘De Lance-factor’ terug te trekken voor de NS-publieksprijs en daarna karaktermoord te plegen op zijn grote Amerikaanse vriend in een van zijn vele columns. Niet één mes in de gespierde rug van Armstrong, maar een hele bestekcassette tegelijkertijd.

Nu keert het publiek zich tegen deze sport, laat de helden de helden. Denk ik. Ik dacht: nu begrijpen de grote wielerdeskundigen wel dat het godsonmogelijk is om met een gemiddelde van vijftig kilometer per uur van de ene stad naar de andere te snellen, zwevend op de thermiek van aanmoedigingen van vakantiegangers en ploegleiders. En dat gaan deze specialisten vertellen: dames en heren, u wordt belazerd waar u bijstaat. Maar in plaats daarvan zien we een achtergrondreportage van kappers die bebaarde renners knippen. Tour d’Ouwehoer.

Grote romans met tweewielers in de hoofdrol en de daarop gebaseerde films – ik lust er wel pap van. Niemand kan tegenspreken dat ik het dit jaar niet opnieuw heb geprobeerd. Leer mij deze sport liefhebben, verleidt mij. Ik kijk, en kijk, en kijk (koning eenoog) op mijn Groningse hotelkamer, sukkel langzaam maar zeker in slaap bij het commentaar van de twee Nederlandse commentatoren. Zoals dat me ook overkomt bij uitzendingen van Rail Away, de kracht van bewegend bloemetjesbehang. Geen slaappil kan er tegenop. Ik hoor Maarten Ducrot nog net na vijf uur koersen zeggen: het echte wielrennen begint straks. Nog 25 kilometer te gaan. Ik red het niet en val in een diepe slaap.