Artikelen

Een dagje Den Haag

Ha fijn, een uitje naar Den Haag. Voor de deur van het provinciehuis in Leeuwarden glanst de bus het selecte gezelschap dat mee mag tegemoet. Het schoolreisje-gevoel van lang geleden (bestemming Drievliet, ook Haagse regio) vervult mij met een ratjetoe aan gevoelens: trots, nostalgie, verwachting èn lekkere trek, want wat zal de inhoud zijn van de zakken die vlak naast de chauffeur lonken naar de reizigers?

Nagewuifd door enkele ‘provinciale’ werknemers en niet veel later verdwijnt de skyline van het Friese Haagje uit zicht. Het Friese Haagje? Al snel word ik door medepassagiers terecht gewezen, gevolgd door boegeroep vanwege mijn mislukte integratie als Fries. Je vergist je met Heerenveen, dombo. Vooruit, nu even goed luisteren: met welke boodschap gaan wij vandaag op pad naar Den Haag?

Een paar maanden geleden heb ik wethouder Albert van der Ploeg (Dongeradeel) een digitale brandbrief bezorgd, waarin ik op ongezouten wijze zorgen verwoord over de gaswinning her en der in bekoorlijk Fryslân. Vanwege mijn laatste boek word ik door sommigen beschouwd als helderziende. Maar je hoeft niet over een glazen bol te beschikken om te weten wat bij de nieuwe aanslag de gevolgen zullen zijn voor onze provincie.

Daling van bodem, huizenprijzen en alle touwtrekkerij over compensaties van dien met NAM en Shell, partijen die met het legen van de gasvelden slechts één belang hebben: het vullen van de reeds goedgevulde eigen portemonneetjes. Het Groningse scenario hoeft alleen maar uit een lade te worden getrokken. Eerst ontkennen, vervolgens volhouden dat het wel mee zal vallen met de schade en daarbij de joker inzetten: de burgers uit de wingebieden zoet houden met sigaren uit eigen doos zoals het sponsoren van de plaatselijke – eveneens wegzakkende – voetbalvereniging. Als zij eenmaal wakker worden uit een boze droom zijn de meeste schadeclaims verjaard.

Een kopie van de brandbrief wordt met hoog opgetrokken wenkbrauwen gelezen. Duidelijk, deze kleine boodschap blijft in Friesland. De petitie, straks te overhandigen op het Binnenhof, blinkt uit in redelijkheid. Bezorgde redelijkheid. Dien ik dan vandaag alleen als burgerlijk ongehoorzaam bloemetjesbehang? Neen, ik word door de delegatieleider verzocht ‘een persoonlijk verhaal’ te vertellen. Spreektijd: 60 seconden. De rest van de reistijd kan ik alleen maar denken aan Matthijs van Nieuwkerk, de ‘mitrailleur’ van Hilversum. Achterin de bus oefen ik zijn verbale kunstje.

In het imposante decor van de ontvangstruimte staan plukjes burgers, verontruste burgers met allen een eigen boodschap, opgesteld bij beelden van beroemde maar inmiddels overleden burgers, rustend in vrede. Wij nemen plaats bij ene Pier, ongetwijfeld een Fries van wie mij de achternaam door de zenuwen is ontschoten, achter het bordje ‘Economische Zaken.’ En zie: als door een bijbels wonder, wordt ons kleine groepje boodschappers opgeslokt door een haag van parlementariërs. Alleen D’66 en de SGP ontbreken.

Ik neem mentaal alvast een aanloopje naar de Matthijs-methode, haal een spiekbriefje tevoorschijn als een dame rechts van mij op hoofdlengte drie woorden toetert die de uitwerking hebben van zweepslagen. Plotseling heb ik geen flauw idee meer, wat ik wil zeggen. De woorden die ik stotterend uitspreek, zie ik als losse flodders achter de beleefd glimlachende volksvertegenwoordigers in het niets verdwijnen.

Deze columns verscheen in 2016 in Noorderbreedte, tijdschrift over het landschap, de cultuurhistorie, de natuur en het milieu van Friesland, Groningen en Drenthe