Artikelen

De Telegraaf: ‘Anton Geesink had ongelooflijke streken’

Vandaag in De Telegraaf:

AMSTERDAM Vandaag tien jaar geleden overleed een van de kleurrijkste sporters die Nederland heeft gekend: Anton Geesink. De volksjongen uit Utrecht schopte het als eerste niet-Aziaat tot wereldkampioen judo en won olympisch goud op de Zomerspelen van 1964 in Japan, het land waar de judosport is geboren en ongekende populariteit geniet. Het kersverse boek ‘Anton Geesink, de man die alles anders deed’, geschreven door Kees Kooman, staat vol met opvallende en ook hilarische anekdotes over een unieke sportpersoonlijkheid. TELESPORT kreeg een inkijkje.

 

Terwijl Nederland zich in oktober 1964 opmaakt voor een onvergetelijke huldiging van haar volksheld Anton Geesink, verspreidt zich een verschrikkelijk gerucht. Enkele weken na het veroveren van zijn memorabele olympisch gouden medaille op de Zomerspelen van Tokio, wordt gesuggereerd dat de topjudoka is vermist en gaat zelfs het verhaal rond dat hij is overleden.

Nederland is in shock, totdat De Telegraaf op 31 oktober 1964 de krant kan openen met de verlossende kop: GEESINK NIET DOOD. Het bewijs is een telexbericht, waaruit blijkt dat de godenzoon godzijdank in Nagoya verblijft, 300 kilometer ten zuiden van hoofdstad Tokio. Daar doet Geesink wat hij nu eenmaal het liefste doet: zijn krachten meten met andere judoka’s.

 

Opmerkelijk gebaar

 

Het opmerkelijke gerucht zegt alles over de status die de onnavolgbare Geesink in die tijd heeft. Ouders in binnen- en buitenland vernoemen hun zonen massaal naar de Nederlander, die de judowereld op z’n kop zet tijdens de Olympische Spelen van 1964 in Tokio. De 18.000 Japanners in het volgepakte stadion zijn tot tranen toe geroerd als Geesink daar op 23 oktober tegen alle verwachtingen in afrekent met ‘hun’ nationale topfavoriet Akio Kaminaga. Een niet-Aziaat die olympisch judo-goud wint in het land waar de vechtsport het eerste levenslicht zag én waar alle grote kampioenen vandaan komen, hoe heeft dit in hemelsnaam kunnen gebeuren?

 

Terwijl de Japanners de tranen van hun wangen vegen, verrast Geesink alles en iedereen. De Nederlandse fans stormen in al hun enthousiasme op de kersverse olympisch kampioen af om hem te feliciteren, maar de Utrechtse topjudoka roept zijn achterban op om vooral rustig te blijven. Dit uit respect voor de Japanse gastheren, die natuurlijk in zak en as zitten door het verlies van Kaminaga.

 

Geesink, die in Tokio geschiedenis schrijft, wordt geroemd om zijn opmerkelijke actie. Juan Antonio Samaranch, de Spanjaard die zestien jaar later de baas zou worden van het machtige Internationaal Olympisch Comité (IOC), ziet het vanaf de tribune gebeuren en vergeet het gebaar van Geesink nooit meer. In 1987 benoemt hij de Nederlander tot IOC-lid, een zeer prestigieuze rol in de sportwereld.

Geesink deinst er niet voor terug. De olympisch kampioen van 1964 blijft tot zijn dood in 2010 deel uitmaken van het IOC. Hij zorgt er onder meer voor dat de gekleurde sportkleding (blauw tegen wit) wordt ingevoerd, om zo het spel voor de scheidsrechters en kijkers duidelijker te maken.

 

Sterallures

 

Ondanks de roem is Geesink wars van sterallures of interessantdoenerij. Wat te denken van dat onvergetelijke etentje in een Nederlands toprestaurant, waar het menu in het Frans is opgetekend. Voormalig profzwemmer Henk Willemse is erbij en lacht in zijn vuistje. ,,Anton wist echt niet wat hij nemen moest en keek enigszins hulpeloos om zich heen”, vertelt Willemse. ,,Op een gegeven moment zegt iemand tegen hem: je moet de schildpadsoep proberen. Komt de ober binnen met drie van die kleine kommetjes. Anton slaat het zijne in één teug achterover en zegt: lekker soepie ober, doet u me daar maar een bord van. Voor het hoofdgerecht, na de kaart weer een tijdje te hebben bestudeerd, zegt hij uiteindelijk: ach ober, heeft u voor mij niet een groot bord vol lekker eten?”

 

Hilarisch saunabezoek

 

Nee, het is nooit saai als je met Geesink op pad gaat. Dat blijkt ook wel tijdens een saunabezoek in Boedapest in 1958. Geesink is daar op pad met topworstelaar Loek Alflen. ,,Voor mij was dat saunabezoek noodzakelijk om het gewicht op peil te brengen”, aldus wijlen Alflen in het boek van Kooman. ,,Meestal was ik vlak voor de wedstrijden een kilo of drie te zwaar voor mijn gewichtsklasse. Goed, wij gaan met de bus naar een sauna, een prachtig complex in een soort grot. Nadat we ons hadden uitgekleed, moesten we in ons nakie over een bruggetje lopen naar de voor ons bestemde ruimte. Daar liggen in de modder een aantal mannen, de snorren kwamen net boven de modder uit. Dondert Anton mij, zonder zich af te vragen hoe diep het daar eigenlijk was, zo over de reling het modderbad in! Die man had ongelooflijke streken! Toch kon ik wel aardig met hem overweg…”

 

Pak rammel als kleine jongen

 

Geesink combineert humor en respect met een enorme strijdlust. Als tengere jongen groeit hij op in een Utrechtse volkswijk, waar duidelijk het recht van de sterkste geldt. Geesink wordt in zijn jeugd niet zelden getrakteerd op een stevig pak rammel. ,,Je speelde met elkaar en dat je elkaar dan ook weleens een rotklap verkocht, hoorde erbij”, zo omschrijft Geesink het zelf in het boek van Kooman. ,,Een paar uur later ging je weer samen met de hoepel op pad. Dat gedrag vervult mij zoveel jaren later nog met trots. Zo trainde je onkwetsbaarheid, ik heb er in mijn leven nog veel aan gehad.”

 

Geesink zegt het altijd als een compliment te hebben beschouwd als mensen tegen hem zeiden dat ze wel aan hem konden zien dat hij uit een volksbuurt kwam. Daarmee laten ze volgens hem weten dat hij over bijzondere eigenschappen beschikt. Welke eigenschappen dat zijn? Altijd eerlijk zijn, je niet beter voordoen dan je bent, de dingen doen waarin je gelooft en daarbij voor niets of niemand wijken. Wat hij ook een belangrijke eigenschap vindt: nooit bang zijn om mensen die het misschien beter kunnen weten om advies durven vragen.

Zeg maar ‘in je blote kont’ durven staan als het erop aankomt.

 

Markante vechter

 

Over bang gesproken: dat is Geesink überhaupt nooit. Wat te denken van een voorval in Tokio 1964, als hij niet te beroerd is om wat landgenoten en zelfs zijn eigen vrouw Jans het olympisch dorp binnen te smokkelen in de kofferbak van een auto. Dat is ten strengste verboden, maar het kan de judoka weinig schelen. Geesink is zijn hele leven een markante persoonlijkheid gebleven, iemand die confrontaties niet schuwt en altijd voor het hoogst haalbare gaat; gedreven door innerlijke motivatie. Geesink: ,,Het is heel eenvoudig: ik heb nooit van mijn leven het gevoel gehad dat ik meer had kunnen doen om het beste uit mijn lichaam te halen. Ik heb alles gedaan wat nodig was. Alles wat ik op weg naar die 23ste oktober van 1964 had gedaan, week af van het gangbare.”

 

Het is misschien wel de mooiste analyse van de meester die alles anders deed op weg naar de top van de Olympus. Met zijn uitzonderlijke prestaties zorgt hij ervoor dat het judo een internationaal karakter krijgt en niet langer beperkt blijft tot een Japans feestje.

 

Daar heeft de vechtsport tot op de dag van vandaag profijt van.