Artikelen

Alleen op een eiland

Door het noodlot (oogoperaties) voor mijn creatieve hersengymnastiek grotendeels teruggeworpen op luisterboeken, kreeg ik een prachtig geschenk in de schoot geworpen. ‘Alleen op een eiland’, de lotgevallen van twee eenzame eilandbewoners, Godfried Bomans en Jan Wolkers. De een eenzamer dan de ander: een dan meestal in adamskostuum opererende auteur.

We schrijven juli 1971, als de twee ZBN-ers (Zeer Bekende Nederlanders) een week mogen verblijven op Rottumerplaat, niet veel meer dan een zandbank, onder normale omstandigheden alleen toegankelijk voor werknemers van Rijkswaterstaat.

Willem Ruis, die zelf pas later zou uitgroeien tot bezienswaardige Nederlander, verzorgt vanaf de vaste wal in het Groningse Warffum de contacten tussen de mannen op het eilandje en Hilversum. Televisie is op dat moment niet veel meer dan een uurtje Pipo de Clown op woensdagmiddagen. Het grote publiek is voor huiskamervermaak voornamelijk aangewezen op de radio. De techniek is nog eendimensionaal en doorspekt met veel ‘overs’. De gesprekspartners kunnen elkaar niet onderbreken, eerder voor- dan nadeel en een van de grote charmes van dit bijzondere tijdsbeeld uit 1971. Altijd is daar de sta-in-de-weg van ‘over’. Het leidt er o.a. toe dat Wolkers naar hartenlust kan schelden op bewindvoerders zoals minister Joop Bakker die door de schrijver verantwoordelijk wordt geacht voor de uitverkoop van natuur ten gunste van handelsgeest.

Willem Ruis, in de eerste week gewend aan en verwend door het kneedbare karakter van Godfried Bomans, raakt hoorbaar gefrustreerd door het eigengereide commentaar van de bezorger van . Geen ‘pollitiek’ roept hij diverse keren, geheel tevergeefs. Wolkers ontpopt zich als een groot dierenvriend die evengoed jonge zeehondjes redt als scholeksters, in het holst van de nacht de wekker zet om extra te kunnen genieten van het geluid van de eenzaamheid. Hij voedt zich uitsluitend met garnalen en wier uit de Noordzee, beslist niet uit de door minister Bakker vergiftigde Waddenzee. Van slapen komt niet veel, maar toch, zo stelt Jan Wolkers tevreden vast: geen spoor van wallen.

Bomans komt ook niet erg uitgerust van Rottumerplaat, maar zijn doorwaakte nachten hebben meer te maken met de stormachtige wind. Hij wordt bijna gek van de klapperende tent en nog meer van de meeuwenkolonies met hun angstaanjagende gekrijs. ‘Nooit meer’, verzucht Godfried op een vraag van de presentator, of hij zich ooit nog aan een reprise zou willen wagen. Bomans en Ruis weten dan nog niet dat het lot hele andere plannen heeft. Vijf maanden na ‘Rottumerplaat’ blaast de bekende Nederlander die zich liever niet liet fotograferen zonder een pijp in de mond, de laatste adem uit. Hartaanval.

45 jaar later. Nog steeds is de natuur ondergeschikt aan groei en winstcijfers. Mannen als Jan Wolkers die niet alleen beschikken over de gave van het woord en naar wie ook nog eens geluisterd wordt, komen niet in beeld. Televisie moet leuk zijn, en ook nog actueel. ‘De kwikstaart is een prachtig vogeltje’, legde hij in 1971 met veel geduld uit. Onze kinderen en kleinkinderen moeten er ook van kunnen genieten, vindt hij. Of zoals hij zich krachtig uitdrukte: ‘Blijf er met je poten vanaf.’